drupsteen en verwonderen

Als klein jongetje heb ik een tijdje trompet gespeeld. Nou ja gespeeld, ik heb het geprobeerd, maar ik produceerde hooguit wat ondefinieerbare klanken en vrij veel speeksel. Dat kon je weer uit de trompet laten lopen door ergens op een knopje te drukken. Best vies, vond ik. Dus ik stopte en ging trommelen. Leuk om te doen, alleen ik miste de souplesse om een mooie roffel weg te geven. En zonder roffelen is drummen zinloos. Dus ik stopte en ging gitaar spelen.

Dat was echt iets voor mij, daar kon je namelijk popster mee worden. Maar mijn handen waren klein, mijn vingers iets te kort en als ik een akkoord speelde, raakte ik meer snaren dan me lief was. Dus het klonk een beetje dof. En nadat ik door een polsbreuk een tijd niet had kunnen spelen, ben ik er maar helemaal mee opgehouden. Ik nam ook geen nieuw instrument meer.

Afgelopen vrijdag vertelden luisteraars in Casa Luna waarom muziek maken belangrijk voor ze is. En opnieuw had ik zo’n spijt dat mijn speeksel niet wat minder, mijn polsen niet wat soepeler of mijn vingers niet wat langer waren geweest.